Hoofdstuk 1
Vrij Nederland Uit: Peter Bak, Harde koppen, rechte lijnen.
De lokale en regionale edities van Trouw in oorlogstijd (Amsterdam-Kampen 1993)
|
Bak schrijft
Vijftien jaar ervaring | Van clubgeschiedenis tot wetenschappelijke
publicatie | Relatiegeschenk
Bak redigeert
Wartaal of houtenklazenproza? | Geeuwlust? | Wijdlopigheid |
Brain dump | Schrappen, schaven en polijsten
Bak corrigeert
Een –d- of een –t-? | Hun of hen? | Publicatie of publikatie? |
Komma of puntkomma? | Hoofdletter of kleine letter?
Gepubliceerd door Peter Bak
Young, inspired and committed | Het spoor van Mertens | Bewogen en bevlogen | Een soeverein leven
| Pientere knaap | Foto’s vertellen een verhaal | Etcetera
Geredigeerd door Peter Bak
Niet bij steen alleen | De Antirevolutionaire partij 1829–1979 |
Op goede gronden
Peter Bak gerecenseerd
Het spoor van Mertens | Een soeverein leven | Een ‘meneer’ van een krant | Harde koppen, rechte lijnen
| |

Wim Speelman, circa 1940. ‘Donkere, levendige ogen waaruit een felle vitaliteit straalde’.
Speelman was de leider van het verspreidingsapparaat van Trouw. Hij werd in februari 1945 gefusilleerd.
(Foto Historisch Documentatiecentrum Vrije Universiteit)
Op zaterdag 29 juni 1940, ruim anderhalve maand na de Duitse
inval, grepen vele Nederlanders de verjaardag van prins Bernhard
aan om uiting te geven aan hun afkeer van de bezetter en de ‘verraderlijke’ NSB van Mussert. Er werd gevlagd, velen droegen oranje strikjes of staken, net als de prins bij openbare gelegenheden, een witte anjer in het knoopsgat; bij monumenten van leden
van het koninklijk huis werden bloemen neergelegd.
In Amsterdam ontstond bij het monument van de koningin-moeder op
het Emmaplein een ware volksoploop. Op het gazon maakte men van de
neergelegde boeketten en bloemstukken een ‘B’, waartussen foto’s
van de koninklijke familie werden geplaatst; tot driemaal toe
werd het Wilhelmus gezongen.
Tegelijkertijd werd in de hoofdstad
in kleine kring een pamflet verspreid. Linksboven stond ‘Vertrouwelijk’, daaronder ‘Circ. no.1’. ‘Nederlandse mannen en vrouwen!’
luidde de aanhef, om te vervolgen: ‘Welke zijn de plichten der
Nederlandsche mannen en vrouwen voor nu en voor de toekomst?
Vast te houden onwrikbaar en met de uiterste toewijding aan de
drie dingen, die ons als mens en als Nederlander alleenlijk kunnen
redden en wel aan: GOD, KONINGIN EN VADERLAND.’
‘Geen oogenblik’, vervolgde het pamflet, ‘mag in onze harten opkomen twijfel aan het
herwinnen van onze staatkundige onafhankelijkheid en van de
vrijheid van geweten en denken. Doordringt Uwe kinderen met de
beginselen van Christendom en humaniteit, opdat de wolven in de
schaapsvacht geen vat op hunne zielen kunnen krijgen.’
Namens het
comité ‘In Verdrukking Eén’ was het pamflet openlijk ondertekend
door Anne Hendrik Kooistra en Willem Pieter Speelman. Getuige de
aanduiding van de Duitsers als ‘de wolven in de schaapsvacht’
zagen beiden het gevaar van het bezettingsregime wel in, maar
blijkbaar toch niet zozeer dat ze hadden afgezien van de vermelding van hun namen. Maar wie kon toen vermoeden wat er werkelijk
in die ‘schaapsvacht’ verborgen zat?
Het ‘eerste’ en ‘tweede’ Vrij Nederland
Wim Speelman en Henk Kooistra waren al jaren bevriend. Ze
waren afkomstig uit het Zuid-Hollandse Nieuwveen, waar Wims vader
gereformeerd predikant was; die van Henk was directeur van de
Johanna-stichting, een zwakzinnigeninrichting. Wim Speelman had
het gereformeerd gymnasium in Amsterdam doorlopen en studeerde
economie. Henk Kooistra had aan de ook in Amsterdam gevestigde
gereformeerde kweekschool zijn akte L.O. behaald en was aan het
solliciteren. Hij werd in augustus 1940 aangenomen op de Eben-Haëzerschool in de Jordaan.
Naast de uitgave van circulaires van het comité ‘In Verdrukking
Eén’, die ze tot in september voluit bleven ondertekenen, gingen
Speelman en Kooistra ook aan spionage doen; er werden onder meer
situatieschetsen en foto’s van militaire objecten gemaakt. Hierbij
werden ze op weg geholpen door Jan Peppink, een student theologie
aan de VU met wie Speelman op het gymnasium in de klas had gezeten.
In de loop van september vroeg Peppink de beide Nieuwveners
een aantal exemplaren te verspreiden van het eerste nummer van een
illegaal blaadje dat Vrij Nederland heette. Het was opgericht
door Frans Hofker, een twintigjarige PTT-employee uit Amsterdam.
Het was zijn bedoeling geweest het eerste nummer op 31 augustus, de verjaardag van koningin Wilhelmina, te laten verschijnen, maar
dat was niet gelukt. Pas in de loop van september was Hofker,
bijgestaan door een aantal vrienden, klaar met stencillen, en kon
de oplage – in de kop stond 1001 exemplaren, maar het waren er
slechts 130 – worden verspreid. De krantjes werden aan bekenden
toegestuurd, willekeurig in brievenbussen gestopt en in trams en
wachthuisjes neergelegd. ‘De dagbladen publiceren berichten en
artikelen, welke hun oorsprong vinden in het filiaal van een
propagandistisch leugenministerie van een zekere “Germaanse”
staat’, stelde Hofker in zijn redactioneel voorwoord. ‘Deze artikelen hebben ten doel de volksmening te vergiftigen en den Nederlander te doen geloven, dat Engeland de bedrieger en Duitsland de
bedrogene is.’ Vrij Nederland zou echter de waarheid brengen! In
grote letters en onderstreept stond onder het voorwoord: ‘Ons land
zal nooit een Duitse provincie worden! Leve het Vaderland. Leve
het Koninklijk Huis. Leve onze bondgenoten!’
In oktober verscheen in een oplage van 300 exemplaren het tweede
nummer van VN. Na het verschijnen van het derde nummer (oplage
750), een maand later, zocht Hofker contact met de assistent-accountant Jan Kassies. VN begon Hofker en zijn kameraden boven het
hoofd te groeien, en sommigen van hen voelden eigenlijk meer voor
spionage. Kon VN niet overgedragen worden aan een groep die op
persterrein meer bedreven was? De naam van Kassies viel. Kassies
behoorde tot een groepje gereformeerde jongeren uit de Watergraafsmeer dat in juni 1940, uit afkeer van het NSB-blad Volk en
Vaderland was gaan colporteren met Nederland en Oranje, het blad
van de Antirevolutionaire Kiesvereniging. Het stond onder redactie van het Tweede- Kamerlid mr. A.B. Roosjen en de advocaat mr. N.
Okma. Na de op 10 augustus in de Amsterdamse Apollohal gehouden
betoging van antirevolutionairen en christelijk-historischen,
waar druk met Nederland en Oranje was gevent, was het blad uit
vrees voor een verbod omgedoopt in Hou en Trou, naar de ondertitel van het maandblad van de christelijke Oranjevereniging in
Amsterdam-Oost: ‘Hou en Trou aan Kroon en Troon’. Maar het verbod
was toch gekomen, begin september, na drie nummers.
Na door de groep van Hofker te zijn benaderd, ging Kassies met een
nummer van VN naar een vriend, de gereformeerde onderwijzer Kees
Troost. ‘Ze kunnen het niet. Dat kunnen wij toch veel beter?’ Dat
vond Troost ook. Blad, stencilmachine en papiervoorraad werden
van Hofker overgenomen. Troost werd hoofdredacteur, Kassies kreeg
de technische leiding en de jonge advocaat Arie van Namen werd
verantwoordelijk voor de verspreiding. Van VN zou, in de woorden
van Troost, ‘een echte krant’ worden gemaakt.
Kop van het ‘tweede’ Vrij Nederland dat werd geredigeerd door Kees Troost.
Het ‘derde’ Vrij Nederland
Ondanks het voornemen van Troost waren Speelman en Peppink ontevreden over VN. De stijl was te amateuristisch, de toon te vrijzinnig. Ze besloten zelf een blad te gaan uitgeven: Nederland Vrij! Het moest een christelijk-nationaal opinieblad worden,
waaraan zo veel mogelijk terzake kundige, professionele auteurs
zouden meewerken. Maar zover kwam het niet. In april 1941, kort na
de verschijning van het tweede nummer, werd Peppink gearresteerd.
Eind februari was de ‘Sicherheitsdienst’ (SD) VN op het spoor
gekomen. Het oppakken van Troost, begin maart, betekende het begin
van een arrestatiegolf, waarin ook Nederland Vrij! werd meegesleurd. Speelman bleef ternauwernood op vrije voeten en dook onder
in het Groningse Sellingen, zijn geboorteplaats.
Na een week of
zes slaagde hij er weer in contact te krijgen met Henk Kooistra, die de dans ook op het nippertje was ontsprongen. In Zuidlaren,
bij Wims oudere broer Jan, die psychiater was in de daar gevestigde inrichting ‘Dennenoord’, besloten zij VN voort te zetten.
Het blad had zich een te grote naam verworven om het ter ziele te
laten gaan. Speelman zag af van verdere uitgave van Nederland
Vrij!; wellicht kon nu van VN het gewenste christelijk-nationale
opinieblad gemaakt worden. Terug in Amsterdam werd de Haarlemse
chemicus Henk Hos bij het opnieuw opzetten van VN betrokken. Hos
had deel uitgemaakt van de spionagegroep Mekel-Schoemaker, die
begin 1941 was opgerold.
Speelman, Kooistra en Hos gingen op zoek naar een nieuwe redactie.
Kooistra strikte het hoofd van de school, waaraan hij lesgaf: Henk
van Randwijk. Van Randwijk had voor de oorlog als schrijver naam
gemaakt met de romans Burgers in nood (1936) en Een zoon begraaft
zijn vader (1938), boeken waaruit een sterk maatschappelijk engagement
sprak. In politieke zin uitte dat zich in het lidmaatschap van de
progressief-protestantse Christelijk-Democratische Unie (CDU), in
1936 door de generale synode van de Gereformeerde Kerken veroordeeld, samen met de NSB. Vanaf oktober 1940 nam hij deel aan de
‘Luntersche kring’, een naar het voorbeeld van de ‘Bekennende
Kirche’ gevormde groep van veelal Barthiaans-georiënteerde predikanten en leken, die in pamfletten tot verzet opriep.
Hos attendeerde Speelman op de volkenrechtgeleerde dr. Gesina van
der Molen. Zij was in 1937 als eerste vrouw aan de VU gepromoveerd en had als journalist voor De Amsterdammer en De Standaard
gewerkt. Hos kende haar van de ‘Vereniging voor Volkenbond en
Vrede’.
Het derde redactielid werd Arie van Namen, een van de weinigen uit
de groep van Kassies en Troost die uit handen van de Duitsers
waren gebleven. Onwetend van de groep-Speelman was ook Van Namen
bezig geweest VN er weer bovenop te helpen. Na drie nummers te
hebben vervaardigd en verspreid, was hem ter ore gekomen dat er
nog een VN verscheen. Speelman en Van Namen – nota bene achterneven – besloten de handen ineen te slaan. VN kon voor de derde keer
van start gaan.
Op een avond in oktober 1941 werd bij Van Randwijk thuis ‘constituerend beraad’ gehouden. De gastheer stak resoluut van wal. Hij
wilde een blad maken dat streed voor de democratie en het Huis
van Oranje, dat uitging van de ‘vormende waarde’ voor volk en
staat van het christendom en het humanisme en dat de noodzaak
erkende tot vernieuwing van de maatschappij na de oorlog – alles
onafhankelijk van kerk en partij. Daarmee konden de anderen wel
instemmen, al vond Gesina van der Molen de christelijke duiding
van VN rijkelijk vaag.
Na een aantal vergaderingen in de Eben-Haëzerschool was de zaak ook organisatorisch in kannen en kruiken.
Arie van Namen deed de eindredactie; later verzorgde hij ook het
buitenlands overzicht en ging hij, bijgestaan door de Amsterdamse
dichter Jan H. de Groot, losse berichten verzamelen. De hoofdartikelen werden door Van Randwijk en Van der Molen geschreven. Het
vermenigvuldigen van de krant gebeurde aanvankelijk nog met de
stencilmachine, maar vanaf december 1941 verscheen VN in druk.
Speelman en Hos zorgden voor de verspreiding. Door de beperkte
oplage kon dit aanvankelijk nog via de PTT. De nummers werden
verstuurd in nagemaakte enveloppen van bedrijven en overheidsinstellingen. Met het stijgen van de oplage werd echter meer en meer
gebruik gemaakt van het eigen verspreidingsapparaat dat Speelman
en Hos op hun talrijke zwerftochten door het land opzetten.
Tegenstellingen
‘Hitler en zijn handlangers konden ons huis binnendringen omdat
wij, de bewoners, sliepen en omdat wij niet meer wisten welke
schatten wij te verdedigen hadden’, schreef Van Randwijk in het
artikel ‘Revolutie of inbraak?’ dat in VN van januari 1942 verscheen. Er was niet geluisterd naar hen die hadden gewaarschuwd
tegen het gevaar ‘dat Europa ten gronde zou gaan tenzij het zich
economisch en sociaal en geestelijk zou durven herzien’. Die
herziening zou volgens Van Randwijk alsnog plaatsvinden. Hij
verwachtte, dat de oorlog een zuiverende, ‘bevrijdende’ werking
zou hebben. De vooroorlogse kapitalistische samenleving, die voor
massale werkloosheid en armoede geen oplossing had kunnen vinden,
zou niet terugkeren. Als alternatief had Van Randwijk hoge verwachtingen van het Russische communistische systeem, en hij schroomde niet die in de kolommen van VN tot uiting te laten komen.
‘Wij verafschuwen het Russische politieke systeem. Het berust op
het gewelddadig onderdrukken van afwijkende meeningen, precies
zooals het Duitsche. Maar (...) het Russische sociale en economische stelsel zullen wij naar alle waarschijnlijkheid na den
oorlog aan onze Oostgrenzen als buur hebben. Zullen wij dan trachten hier een soortement kapitalistisch regiem te handhaven?’, zo
viel in het nummer van 1 april 1942 te lezen. ‘En wanneer onze
niet-communistische maatschappij de risico’s van werkloosheid en
pauperiseering, zelfs maar voor een klein deel handhaaft, dan
behoeven wij over de keus van ons volk niet in twijfel te verkeeren.’
Het werd Gesina van der Molen duidelijk dat de naoorlogse maatschappelijke vernieuwing, die op de eerste ‘constituerende’ vergadering van oktober 1941 in vage termen ter sprake was gekomen, voor
Van Randwijk geen loze kreet was. En in de inhoud die hij daaraan
gaf, kon zij zich niet vinden. Om meer tegenwicht te kunnen bieden, probeerde Van der Molen twee geestverwanten bij het blad te
betrekken, te weten Jan Schouten en dr. J.A.H.J.S. Bruins Slot.
Schouten was in 1933, toen Colijn premier werd, fractievoorzitter
en voorzitter van de ARP geworden, om acht jaar later opnieuw in
diens voetsporen te treden. Na de wegvoering van Colijn in juni
1941 was hij de nieuwe leider geworden van de zogenaamde ‘twaalf
apostelen’, die na het verbod op massabijeenkomsten van september
1940 door Colijn het land in waren gestuurd om de kiesverenigingen
in kleine vergaderingen te bezielen. Na het verbod van het ARP-orgaan Nederlandsche Gedachten in april 1941, was Schouten gaan
denken over een illegaal blad, óók vanwege de bedenkelijke koers
die De Standaard onder chef-redacteur Taeke Cnossen was gaan
varen. De Duitsers hadden het antirevolutionaire dagblad de
NSB’er Max Blokzijl, gehaat om zijn pro-Duitse radiopraatjes, als
redacteur opgedrongen. Colijn had zich hierop weliswaar als hoofdredacteur teruggetrokken, maar De Standaard opheffen, wat Schouten
wilde, ging hem te ver. Het zou goed zijn als anderen, die minder
verantwoordelijkheid hadden te dragen, de krant door de oorlog
zouden loodsen, zodat er bij de bevrijding direct een spreekbuis
van en voor de antirevolutionairen zou zijn. Colijn had onder
meer aan Bruins Slot gedacht, de jonge burgemeester van het Groningse Adorp die met zijn artikelen in AR-Staatkunde en het
Calvinistisch Weekblad blijk had gegeven over een vaardige pen te
beschikken. Bruins Slot was niet op Colijns verzoek ingegaan, ook
niet na aandringen van prof.mr. V.H. Rutgers, zijn schoonvader.
‘Afgezien van alle positie en status – ik mag evenmin voor Baäl
knielen als u’, had hij Colijn gezegd.
Een half jaar later had Bruins Slot zich opnieuw onbuigzaam getoond. Toen op 1 september 1941 het leidersbeginsel in het provincie- en gemeentebestuur werd ingevoerd, nam hij ontslag als burgemeester. Bruins Slot was zich vervolgens geheel gaan wijden aan de
ondergrondse ARP. In het noorden van het land belegde hij vele
bijeenkomsten, die nadat in juni 1941 ook kleine vergaderingen
waren verboden, dikwijls onder het mom van bijbelkringen werden
gehouden. Maar moesten de antirevolutionairen ook niet in geschrift geïnspireerd worden? VN deed dat niet. De toon van het
blad was Bruins Slot te ‘links’ – dat had hij de redactie via een
verspreider laten weten.
Gesina van der Molen bewoog Van Randwijk zowel met Schouten als
met Bruins Slot – met laatstgenoemde had zij gestudeerd – te gaan
praten, maar beide gesprekken liepen op niets uit. Karakters en
politieke overtuigingen liepen te ver uiteen. VN bleef het stempel
van Van Randwijk dragen, en dat ging Van der Molen hoe langer hoe
zwaarder vallen. Tussen haar en Van Randwijk trad een verwijdering
op, die door de inval van de SD tijdens een vergadering in Noordwijk, eind juni 1942, alleen maar groter werd. Een gearresteerde
verspreider was na hevige martelingen informant van de SD geworden
en had de plaats van samenkomst prijsgegeven. Van Randwijk, Van
der Molen, haar vriendin Mies Nolte en Jan H. de Groot werden
gearresteerd. Van Randwijk en De Groot kwamen na enkele dagen weer
vrij, de beide vrouwen pas na vier weken. De verwijten aan het
adres van Speelman en Hos waren niet van de lucht. Hoe was het
mogelijk, dat een vrijgekomen medewerker weer zo gemakkelijk in de
organisatie kon doordringen? Van der Molen eiste dat VN met het
duo brak. Van Randwijk weigerde. Hoewel hij ook van mening was
dat Speelman en Hos soms roekeloos waren en het hem ook allerminst beviel dat zij met revolvers rondliepen, vond hij een
dergelijke drastische maatregel voorbarig. Dat de verspreiding
van VN grotendeels op Speelman en Hos dreef, zal aan Van Randwijks
terughoudendheid niet vreemd zijn geweest.
Het nummer van eind juli bracht nog meer olie op het vuur. Daarin
viel te lezen dat het Huis van Oranje in het naoorlogse vernieuwingsproces ‘een machtige factor’ kon zijn. Dat schoot vele antirevolutionairen in het verkeerde keelgat, want kwam dat proces
blijkens eerdere nummers niet neer op een omwenteling in communistische zin?! Hier en daar werd zelfs geweigerd het nummer te
verspreiden. Via Speelman en Hos kwam dat ook Van der Molen ter
ore; het deed VN nog meer van haar vervreemden.

Henk Hos, circa 1940. Bij zijn proces in januari 1941 zei Hos:
‘Wat ik gedaan heb, heb ik uit overtuiging gedaan en ik ben bereid er voor te sterven’. Hij werd in 1944 terechtgesteld. (Foto Historisch Documentatiecentrum)
Toen Van Namen en
Van Randwijk enkele weken later eigenmachtig een passage in een
van haar artikelen wijzigden, was de maat vol. Het betrof een beschouwing over het fusilleren van vijf gijzelaars uit Sint-Michielsgestel. In dit Noord-Brabantse dorp hielden de Duitsers in
het kleinseminarie ‘Beekvliet’ al enkele maanden een grote groep
vooraanstaande Nederlanders vast. ‘Wanneer het door de kuiperijen
van de emigrantenclique te Londen tot gewelddadige handelingen
tegen Nederlanders en Duitsers in de bezette gebieden zou komen en
de rust en orde verstoord worden, dan staan deze gijzelaars met
hun leven hiervoor borg’, had het ‘Reichskommissariat’ gedreigd.
Op 15 augustus was het zover. Als represaille voor een – mislukte
– aanslag op een trein met Duitse verlofgangers in Rotterdam
werden vijf gijzelaars, allen Rotterdammers, doodgeschoten.
In haar artikel trok Van der Molen, tot ontsteltenis van de hele
VN-top, de conclusie dat een bezettingsmacht in bepaalde situaties gerechtigd was gijzelaars te doden. Het werd immers niet
uitdrukkelijk door het Landoorlogreglement verboden. Voor het tegenargument dat de druk der omstandigheden geen plaats bood
voor volkenrechtelijke bespiegelingen, was Van der Molen ongevoelig. Als christen mocht je geen vals getuigenis spreken, ook niet
in oorlogstijd. Zo was liegen tijdens een Duits verhoor voor haar
uit den boze; in principiële zaken zei je de waarheid, in niet-principiële zaken gebruikte je ‘misleidingen’. Omdat Van der Molen
niet te vermurwen was, schrapten Van Namen en Van Randwijk op
eigen gezag haar conclusie. Daarvoor in de plaats kwam de passage
dat het doden van gijzelaars weliswaar niet expliciet door het
Landoorlogreglement werd verboden, maar dat dat ook niet zo
verwonderlijk was; bij de opstelling ervan, in 1907, was een
totale oorlog met alle onmenselijke wreedheden van dien ondenkbaar
geweest. ‘Wij wijzen (...) er onze lezers dus nadrukkelijk op dat
het doden van gijzelaars moord is!’, luidde de slotzin van het
artikel, dat in het nummer van 19 augustus 1942 verscheen. Van der
Molen was woedend en trok zich uit de VN-groep terug.
Een maand later begon zich een andere breuk af te tekenen – die
met Wim Speelman en Henk Hos. Had Van Randwijk hen na de overval
in Noordwijk, eind juni 1942, nog de hand boven het hoofd gehouden, na
nieuwe arrestaties in september en oktober riep hij Speelman op
het matje. Van Randwijk eiste inzage in zijn netwerk van contacten
en aanvaarding van de redactie als leidinggevend orgaan. Speelman
piekerde er niet over. Hij had samen met Henk Hos het verspreidingsapparaat opgebouwd, stad en land afgereisd, grote risico’s
gelopen; dan zou hij zich nu moeten onderwerpen aan Van Randwijk, die pas een jaar bij VN betrokken was, terwijl hijzelf al in
september 1940 het eerste nummer van de krant had verspreid? Geen
sprake van!
Van Randwijk besloot hierop de contacten met Speelman
en Hos te beperken, en zich voor de verspreiding meer te verlaten
op Jo Pellicaan en Hebe Charlotte Kohlbrugge. Pellicaan, secretaris van het protestantse werkliedenverbond ‘Patrimonium’, was
afkomstig uit de groep van Kassies en Troost. Arie van Namen had
hem in de zomer van 1941 weer bij VN gehaald. Kohlbrugge had in
1938 en 1939 in Duitsland gewerkt waar ze actief was geweest in
de ‘Bekennende Kirche’, en was een van de initiatiefnemers van de
‘Luntersche kring’. Van Randwijk, vanaf oktober 1940 deel uit
makend van die kring, had Hebe Kohlbrugge al gauw bij de top van
VN betrokken. Die top stond in het najaar van 1942 op springen.
Breuk met Van Randwijk
In de eerste dagen van december 1942 werd bekend dat Henk Hos op 30
november was gepakt. Nadat hij samen met Speelman door Van Randwijk op een zijspoor was gezet, had Hos met zijn ziel onder zijn
arm rondgelopen. Vlak voor zijn arrestatie was hij bij de Wormerveerder Jaap Boot, VN-verspreider van het eerste uur in Noord-Holland, komen aanlopen, volkomen gedesillusioneerd. ‘Tegen de
Gestapo kan ik vechten, niet tegen mijn eigen mensen’, zei hij
tegen Boot. Hij kwam afscheid nemen, hij ging naar Engeland. Korte
tijd later kwam het bericht dat hij in een Haarlemse fotozaak was
gearresteerd. Henk Hos zou in januari 1944 ter dood worden veroordeeld en drie maanden
later op de Waalsdorpervlakte worden gefusilleerd.
De arrestatie van Hos deed de spanning binnen de VN-organisatie
tot het kookpunt stijgen. Als hij zou doorslaan, was de ramp niet
te overzien. En hoe waren de Duitsers hem trouwens op het spoor
gekomen? Sinds de inval in Noordwijk van juni 1942 staken na elke
arrestatie wel geruchten over verraad de kop op, ook nu. Toen de
SD tien dagen na de arrestatie van Hos een bespreking in het
Parkhotel aan de Amsterdamse Stadhouderskade overviel en ook Wim
Speelman arresteerde (‘Wer ist der Spielmann?’), waren velen er
zeker van: er was weer een verrader actief. In zijn cel in het
Noord-Brabantse Haaren, waar het kleinseminarie dienst deed als SD-gevangenis, kwam Speelman ook tot die – naar later bleek juiste –
conclusie. VN was onveilig geworden. Gevoegd bij de perikelen over
de redactionele koers en de competentiekwestie, bracht het Speelman tot het besluit dat, mocht hij vrijkomen, hij niet meer naar
Van Randwijk en de zijnen zou teruggaan. Er moest een nieuw blad
komen!
Die knoop werd ook in Meppel doorgehakt. Daar staken kort na
Speelmans arrestatie een aantal VN-verspreiders uit het noorden de
koppen bij elkaar. Ontevreden over de politieke koers van de krant
waren ze eigenlijk al vanaf het januarinummer. De eis van Van
Randwijk dat het verspreidingsapparaat zich aan de redactie diende
te onderschikken, had nog meer kwaad bloed gezet. En nu was VN ook
nog eens ‘besmet’ door verraad! Was het niet opvallend dat juist
Speelman en Hos, de ‘rebellerende’ leiders van het verspreidingsapparaat, slachtoffer waren geworden? Het kon best eens het werk
zijn van Hebe Kohlbrugge (‘Chrisje’), werd in de ‘Meppeler-groep’
hardop gedacht. Had ze zich, ‘bazig en hoogmoedig’ als ze was,
niet al te graag op het eerste plan geplaatst, nadat Speelman en
Hos met Van Randwijk in aanvaring waren gekomen? Later zou blijken dat de verdenkingen tegen Kohlbrugge ongegrond waren. Een
jonge cadet, W. Pasdeloup, had de SD op het spoor van Hos en
Speelman gezet. Pasdeloup, een spionagecontact van de VN-groep,
was begin 1942 gearresteerd. Met het dreigement zijn joodse verloofde op transport te stellen, hadden de Duitsers hem gedwongen
als infiltrant te gaan werken.
Gezinspeeld op een nieuwe krant had de ‘Meppeler-groep’ al eerder
– nu werd de daad bij het woord gevoegd. Er werd besloten een
nieuwe redactie te zoeken. In afwachting daarvan werd vlak voor
Kerst een eigen editie van VN uitgegeven, waarin een artikel over
naoorlogse politieke hervormingen was vervangen door een fel en
nogal smakeloos stuk dat de draak stak met de benoeming van Mussert tot ‘Leider van het Nederlandsche volk’. ‘Deze miezerige
dwerg, deze impotente lieveling van zijn tante, deze Mussert,
Musart, Mutsaert (d.i. schelm, ellendeling, lafaard, vuilspuiter)
kruipt als het gevaar geweken is ergens in Nederland onder het
hooi vandaan, aanvaardt zijn schijnmacht uit de handen van ’s
lands doodsvijand en laat anderen voor deze eerlooze comedie den
prijs betalen, den prijs van Hollands rijkdom, Hollands arbeidskracht, Hollands vrijheid, Hollands eer, den prijs van Hollands
bloed!’ Dat was de taal waarop de lezers volgens de ‘Meppeler-groep’ zaten te wachten! – niet op die ‘toekomstschrijverij’ van
Van Randwijk.

Gesina van der Molen, 1940. In augustus 1942 keerde ze
Vrij Nederland de rug toe. In januari 1943 ging ze deel uit maken van de redactie van
Trouw, waarvan de oprichtingsvergadering bij haar thuis plaatsvond.
(Foto Historisch Documentatiecentrum)
Speelman ontsnapt
Op de avond van 30 december 1942 slaagde Wim Speelman erin enkele
tralies van zijn celraam los te wrikken. Aan zijn aaneengeknoopte
beddengoed liet hij zich naar beneden zakken. Halverwege scheurde
dat echter af waardoor Speelman een zware val op zijn rug maakte.
Krimpend van de pijn slaagde hij erin zich achter een heg te
slepen. Een door zijn val gealarmeerde schildwacht kwam poolshoogte nemen, bescheen de muur met zijn zaklantaarn, maar deed dit
niet hoog genoeg; het stukje beddengoed dat nog uit het raam hing,
merkte hij niet op. Het lukte Speelman vervolgens de gracht over
te komen. Op sokken liep hij naar Den Bosch, waar hij ’s morgens
vroeg bij een hem bekende gereformeerde predikant aanklopte. Hij
kreeg een jas en een paar schoenen, nam de trein naar Utrecht,
om zich daar door een betrouwbare arts aan zijn rug te laten
behandelen. Daarop reisde Speelman naar De Lichtmis, vlakbij Staphorst.
Hij wist dat zijn verloofde, Mien Bouwman, daar de oudejaarsavond doorbracht.
Kort na de jaarwisseling belegde Speelman een vergadering met de
‘Meppeler-groep’, waar werd besloten een eigen blad uit te gaan
geven. Dat het nieuwe blad weer Vrij Nederland zou gaan heten, was
voor Speelman een uitgemaakte zaak. Hij had het immers al in
september 1940 helpen verspreiden; Van Randwijk was er pas een jaar
later bijgekomen. Door toedoen van Gesina van der Molen zag Speelman echter van zijn voornemen af.
Nog maar een half jaar geleden, na de arrestaties in Noordwijk,
wilde Van der Molen niets meer met hem en Hos te maken hebben. Ze
vond hen veel te onstuimig. Maar ook Van der Molen onderkende de
noodzaak van een rechtzinnig verzetsblad – dat wist Speelman. Hij
zocht contact en legde haar zijn plannen voor. ‘De jongensachtige
bravour, die er in het begin nog wel eens was, was nu geheel
verdwenen’, schreef Van der Molen later. ‘In die weken in Haaren
was zijn innerlijk leven onmiskenbaar verdiept. Geestelijk was hij
daar tot vollen wasdom gekomen. Het was of God hem in de afzondering nu geheel bekwaamd had tot zijn taak.’ Ze verklaarde zich
bereid aan het nieuwe blad mee te werken, maar dan moest Speelman
de naam Vrij Nederland aan Van Randwijk laten. Gealarmeerd door
berichten dat er een nieuw blad onder dezelfde naam in de maak
was, had Van Randwijk haar met klem gevraagd Speelman te bewegen
een andere naam te kiezen. Als aanvoerder van een uitgetreden
minderheid kon hij geen rechten laten gelden op de naam Vrij
Nederland. Bovendien zou een zo overduidelijk teken van tweespalt
het verzet schaden en de Duitsers in de kaart spelen. Dat vond Van
der Molen ook. Ze slaagde erin Speelman te overtuigen: hij liet de
naam Vrij Nederland vallen.
Op aanraden van Van der Molen benaderde Speelman ook Bruins Slot.
Samen met Mien Bouwman ging hij naar de Kamplaan in Groningen,
waar Bruins Slot na zijn ontslag als burgemeester was gaan wonen.
‘Ik zie hem nog zitten voor mij’, herinnerde deze zich later, ‘met
verfomfaaide kleeren, met een ronden rug, het hoofd erg in de
schouders en met een bleek, mager gevangenisgezicht, maar daarin
een paar oogen, die al dat andere te niet deden. Donkere, levendige oogen, waaruit een felle vitaliteit straalde.’
Bruins Slot vertelde Speelman dat er in de illegale ARP behoefte
bestond aan een blad dat een andere, betere politieke voorlichting gaf dan VN deed. Hierop maakte Speelman duidelijk dat een
zuiver antirevolutionair blad bij zijn verspreidersgroep op
bezwaren zou stuiten. Daarin waren ook figuren actief met een
andere geestelijke achtergrond. Speelman hoefde zich geen zorgen
te maken, antwoordde Bruins Slot. Het blad zou een christelijk-nationaal karakter hebben in de geest van Groen van Prinsterer.
Het zou geen orgaan van de ondergrondse ARP worden, maar dat
betekende niet, zo voegde Bruins Slot eraan toe, dat een antirevolutionair geluid achterwege zou blijven. Daarmee kon Speelman
instemmen. Wat betreft de competentiekwestie, die in VN zoveel
stof had doen opwaaien, kwamen beiden een strikte scheiding tussen
redactie en technisch apparaat overeen: de redactie bepaalde de
inhoud van de krant; het technisch apparaat regelde het drukken en
verspreiden en had de vrije hand in het leggen van de daarvoor
benodigde contacten.
Enkele dagen later legde Speelman zijn verspreiders op een vergadering in Ede voor, wat hij met Van der Molen en Bruins Slot was
overeengekomen. Ze gingen akkoord, al kostte het moeite afstand
te moeten doen van de naam Vrij Nederland – die was na tweeëneenhalf jaar een begrip geworden.
Trouw wordt opgericht
In afwachting van de nieuwe krant verscheen eind januari ’43, ter
gelegenheid van de geboorte van prinses Margriet op de negentiende
van die maand, de Oranje-bode. De artikelen waren van de hand van
Van der Molen en Schouten. De krant was gedrukt in Meppel, door
Henk Veldhuis (‘Vosje’), actief in de plaatselijke knokploeg, en
F. Veenstra, mede-eigenaar van drukkerij Veenstra en De Vries,
waar drie nachten lang was geploeterd. De bedoeling was dat de
gehele oplage op oranjepapier zou worden gedrukt, maar daar waren
Veldhuis en Veenstra al gauw doorheen geraakt. Door met oranje
inkt op wit papier verder te drukken, was de gehele oplage, die
zo’n 8000 exemplaren bedroeg, toch oranje geworden. ‘Holland
groeit weer! Holland bloeit weer!, stond er op de voorpagina.
Daaronder de woorden van Bilderdijk:
Ja, zij zullen
Zich vervullen.
Deze tijden van geluk!
Dees ellenden
Gaan volenden;
En, verpletterd wordt het juk.
De Oranje-bode, die eind januari 1943 ter gelegenheid van de
geboorte van prinses Margriet werd verspreid, was het eerste nummer van Trouw.
Een aantal dagen later kreeg het blad zijn definitieve naam. Op 30
januari, precies tien jaar na Hitlers ‘Machtübernahme’, vond ten
huize van Gesina van der Molen, Klapheklaan 14 in Aerdenhout, de
eerste redactievergadering plaats. Behalve de gastvrouw, Bruins
Slot en Schouten was ook de journalist Elbert van Ruller aanwezig. Van Ruller had van 1925 tot 1936 voor De Graafschapper gewerkt en was van 1936 tot de opheffing in oktober 1941 redacteur
van De Rotterdammer geweest. Evenals Bruins Slot, die een maand
eerder werkloos was geworden, was Van Ruller zich helemaal aan de
ondergrondse ARP gaan wijden. In december 1942, op een van de door
hem belegde vergaderingen in Klundert, was hij in gesprek geraakt
met Kees van Drimmelen, een jonge manufacturier uit die plaats.
Van Drimmelen vertelde vanaf juli dat jaar een illegaal antirevolutionair blaadje uit te geven, getiteld Nederland en Oranje.
Het werd hem echter allemaal wat te veel. Kon Van Ruller niet wat
stukken schrijven?
Van Ruller had zijn medewerking toegezegd en
was vervolgens naar Schouten gegaan met de vraag of Van Drimmelens
blad – de titel was inmiddels gewijzigd in Het 3-voudig snoer:
God, Nederland, Oranje – niet het beoogde antirevolutionaire
verzetsblad kon worden. Schouten, na een gevangenschap van zes
maanden juist weer op vrije voeten, had de boot afgehouden; hij
wilde de uitgave liever van het illegale partijkader laten uitgaan. Van Ruller zou nog wel van hem horen. Schouten hield woord:
Van Ruller ontving de boodschap om op zaterdag 30 januari vanuit
Rotterdam een bepaalde trein naar Haarlem te nemen; in die trein
zou hij Schouten treffen. Rond twee uur die middag arriveerden
Schouten en Van Ruller in Aerdenhout bij het huis van Gesina van
der Molen.
Schouten, die de vergadering had belegd, stelde dat er behoefte
was aan een verzetsblad voor het positief-christelijke volksdeel.
VN was dat immers niet meer. De wending die de oorlog had
genomen (aan het oostfront waren de Duitsers in het defensief
gedrongen, in Afrika was Rommel eind oktober 1942 bij El Alamein
door Montgomery verslagen, de invasie in West-Europa werd spoedig
verwacht), noopte met het oog op de bevrijding tot principiële
voorlichting. Bruins Slot, Van der Molen en Van Ruller konden daar
van harte mee instemmen.
Hoe het blad te noemen? Geopperd werd Hou en Trou, naar het blad
waarmee Kassies en zijn vrienden in augustus 1940 hadden gecolporteerd. Maar dat was een uitgesproken partijblad geweest – zou
die naam bij Speelman c.s. wel goed vallen? Bovendien zaten nog
jongens uit de groep van Kassies vast. Zouden die niet in moeilijkheden worden gebracht als er opnieuw een blad met die naam
opdook? Waarom het blad dan niet kortweg Trouw noemen, moet Schouten toen naar verluidt hebben geopperd. Die naam vond algemene
instemming.
Vervolgens kwam de technische kant van de zaak aan de orde. Schouten wilde voor het drukken en verspreiden het partijapparaat
inschakelen. Van der Molen maakte zich sterk voor de op illegaal
terrein meer ervaren groep van Wim Speelman. Schouten vroeg zich
daarop af of de geestelijke achtergrond van die groep wel aansloot
bij die van Trouw; niet allen behoorden tot de antirevolutionaire
richting, en de groep als geheel was niet politiek georiënteerd,
wat Trouw wel zou zijn. Dat werd door de anderen beaamd, maar niet
als onoverkomelijk beschouwd. Had Speelman zich al niet akkoord
verklaard, dat de krant een antirevolutionair geluid zou laten
horen?! Schouten ging akkoord. De oprichting van Trouw was een
feit.
Drie weken later verscheen het eerste nummer van Trouw. Ter informatie aan de lezers werd in een kadertje op de voorpagina vermeld:
‘Als eerste nummer van dit blad verscheen de “Oranje-bode”, die
speciaal gewijd was aan de geboorte van onze jongste prinses.
Daarom is dit no.2.’
Klapheklaan 14, Aerdenhout. Het huis van Gesina van der Molen waar
Trouw werd opgericht. (Foto Historisch Documentatiecentrum)
| |