‘Op twee lettertjes na. De val van Willem Aantjes’
door Peter Bak
in: Friesch Dagblad, 8 november 2003

(Kop van het artikel in het Friesch Dagblad)
‘Veel mensen’, schrijft historicus Roelof Bouwman in zijn biografie van Aantjes, ‘weten nog precies waar ze waren toen ze het nieuws op die zesde november 1978 hoorden.’ Ik – vijftien jaar oud toen – kan het me niet herinneren. Om vijf uur ’s middags meldde het ANP-radionieuws dat mr. Willem Aantjes, de fractievoorzitter van het CDA, in de oorlog ‘lid was geweest van de SS’. ’s Avonds gaf Loe de Jong, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD), in een emotionele, rechtstreeks op de beide televisienetten uitgezonden persconferentie, tekst en uitleg. Nederland was geschokt.
    De volgende dag, dinsdag 7 november, de dag dat Aantjes zijn aftreden bekend maakte, herinner ik me wél. Zevende lesuur: Geschiedenis. De docent rijdt tv en videorecorder het lokaal binnen en laat de persconferentie van De Jong zien. Diens stellige betoogtrant imponeert me – hij heeft gelijk, denk ik. ‘Wanneer je toch in alle rédelijkheid de vráág moet opwerpen’, antwoordt De Jong een kritische journalist, ‘of wellicht wij bijna twintig jaar als volksvertegenwoordiger in onze Tweede Kamer en nu, als politieke léider van de grootste regeringsfractie, een persoon hebben gehad die niet eens meer Néderlander is! Neemt u mij niet kwálijk, dat moet toch onmiddellijk aan de regering gerapportéérd worden?’
    Van die zevende november 1978 staat me nog iets scherp voor de geest: dat ik ’s avonds naar de afscheidswedstrijd van Johan Cruyff heb gekeken. Ajax had Bayern München uitgenodigd. Uitslag: 0-8. Ook het afscheid van Nederlands grootste en spraakmakendste voetballer liep op een drama uit. Vuilnismannen in Bergen op Zoom troffen de volgende dag op een stoep een tv aan. Een inwoner leek de rampspoed niet meer te hebben kunnen verdragen . ‘Aantjes en 0-8 werden hem teveel’, vermeldde het bord dat op het toestel stond.

Archief
Bijna een kwart eeuw later – 2002. Als medewerker van het Historisch Documentatiecentrum van de Vrije Universiteit inventariseer ik het archief van Aantjes. Eigenlijk tot mijn verrassing bevat het duizenden brieven van mensen die hem na zijn aftreden in november 1978 een hart onder de riem hebben willen steken. ‘Je hebt fout gedaan, maar bent niet fout geweest’; ‘na zoveel jaren mogen dergelijke dingen niet meer opgerakeld worden’; ‘afschuwelijk, zoals U door L. de Jong voor de leeuwen geworpen bent’. Een aantal briefschrijvers repte van een complot: ‘gelyncht vanwege Uw bloedgroep’; ‘U moest vallen’. Eén van hen trok een vergelijking met de afgang van Ajax en Cruyff: ‘De 0-8 was een geval van: de bal is rond. De afgang van U is opzet’.
    Uit een opinieonderzoek, dat op 24 november 1978 werd gepubliceerd, bleek dat meer dan de helft van de ondervraagden er rekening mee hield dat Aantjes door politieke tegenstanders was gevloerd. Binnen het CDA-in-wording behoorde Aantjes tot de ‘bloedgroep’ van de ARP. De partij had een progressiever profiel dan de CHU en KVP, de twee andere partijen die in 1980 in het Christen Democratisch Appčl zouden opgaan. Aantjes was de vorming van het CDA meer en meer met reserves gaan bekijken, bang dat zijn progressief-evangelische denkbeelden in het gedrang zouden komen. Het was op grond van die denkbeelden dat Aantjes principiële bedenkingen uitte tegen de productie van de neutronenbom. Eind september 1978, ruim een maand voor zijn val, baarde Aantjes groot opzien door te stellen dat het NAVO-lidmaatschap hem zeker niet heilig was. Groot rumoer in het CDA was het gevolg.
    Méér rumoer volgde. Jaap Boersma, van 1973 tot 1977 minister van Sociale Zaken in het kabinet-Den Uyl, liet in de Haagse Post van 21 oktober 1978 weten dat hij de Tweede Kamer voor gezien hield. Dat het CDA, na de mislukte formatie van het tweede kabinet-Den Uyl, met de VVD van Wiegel was gaan regeren, was Boersma een gruwel. De samenwerking met de liberalen had binnen het CDA een klimaat geschapen waarin het progressieve antirevolutionaire geluid langzaam maar zeker werd verstikt.
‘Ik denk dat mijn val in scčne is gezet’
Boersma ergerde zich geel en groen aan ‘het ondergrondse gekuip’ tegen de voornaamste vertolker van dat geluid: Willem Aantjes. Er werd aan diens stoelpoten gezaagd. Die indruk had Aantjes trouwens zelf ook. In een interview met Elseviers Magazine, in december 1977, had hij gezegd: ‘Het barst van de mensen, zeker de laatste jaren, die zitten te wachten tot ik mijn nek zal breken’.
    Politieke moord met voorbedachten rade? Een ‘complot’? Het is in de jaren na Aantjes’ val onderzoeksonderwerp van menige journalist geweest, maar het gespit leverde meer veronderstellingen dan harde feiten op. Zelf verwees Aantjes de complottheorieën aanvankelijk naar het rijk der fabelen. In de tweede helft van de jaren tachtig, toen zijn pogingen in de politiek terug te keren definitief waren gestrand, kwam daarin verandering. ‘Dat er meer achter zat, geloof ik intussen zelf ook’, zei Aantjes in 1987 in een interview. ‘Ik denk dat mijn val in scčne is gezet’. Om er direct aan toe te voegen dat ook hij niet over harde feiten beschikte. Die heeft biograaf Bouwman ook niet boven water kunnen halen.

Güstrow
Het moet gezegd: het scenario van Aantjes’ levensloop maakt het bijkans moeilijk om niet in een complot te geloven. Het is juli 1943 als Willem Aantjes, zoon van een godvruchtige postkantoorhouder in Bleskensgraaf , voor de Duitse Arbeidsinzet wordt opgeroepen. Hij werkt dan op het postkantoor in Dordrecht. De directeur dringt er bij de twintigjarige Wim op aan naar Duitsland te gaan – anders zou een getrouwde collega moeten gaan. Aantjes zwicht. Van ‘onderduiken’ had nog bijna niemand gehoord, zeker niet in het gezagsgetrouwe gereformeerde-bondsmilieu van de Alblasserwaard.
    Eind juli 1943 zet Aantjes voet op het perron van het Mecklenburgse stadje Güstrow. Hij moet als postbode aan de slag. Hoewel hij deel uit maakt van een groep van dertig Nederlanders, voelt Aantjes zich er al gauw eenzaam. Ook begint zijn geweten te knagen. Als hij vervolgens in conflict raakt met een plaatselijke notabele nazi, besluit hij alles in het werk te stellen om naar Nederland terug te keren. In weglopen ziet hij geen heil – de controles zijn te scherp. Aantjes besluit tot een noodsprong: hij meldt zich aan bij de Germaanse SS. Die leidde, wist Aantjes, ander dan de Waffen SS, niet voor militair werk op. De opleiding zou in Nederland plaatsvinden. Eenmaal terug op vaderlandse bodem zou hij de benen proberen te nemen.
    Het loopt anders. De oproep die in oktober 1944, als antwoord op zijn aanmelding, in Güstrow arriveert, doet bij Aantjes de angst in de benen slaan. ‘Ik kreeg de indruk’, zei hij later, ‘dat ik in militaire dienst werd geroepen’. Eenmaal in Hamburg, waar hij zich voor de Germaanse SS moet melden, worden zijn bange vermoedens bewaarheid. Van ‘burgerdiensten’ wordt nauwelijks gerept. Aantjes wordt een formulier ter ondertekening voorgelegd. Hij weigert. Onder militaire bewaking worden hij en andere weigeraars per trein afgevoerd. Eindbestemming is Hoogeveen, waar Aantjes onder druk wordt gezet om bij de Landstorm, een onderdeel van de Waffen SS, dienst te nemen. Weer weigert hij, waarop hij naar het bij Assen gelegen strafkamp Port Natal wordt overgebracht. Hij moet er loopgraven en tankvallen graven; later wordt hij assistent van de kampadministrateur. Begin april 1945, als de Canadezen naderen, wordt Port Natal ontruimd. Aantjes en zijn medegevangenen komen na enige omzwervingen in Emmen terecht, waar ze worden bevrijd. Op een fiets zonder banden en één trapper rijdt Aantjes door feestvierend Nederland naar zijn ouderlijk huis in Bleskensgraaf.

Twee letters
In juli 1945 wordt Aantjes door de Politieke Opsporingsdienst aan de tand gevoeld, vóóral over zijn terugkomst uit Duitsland. Hij vertelt zich in 1944 te hebben aangemeld bij een ‘wachtbataljon’, ten einde ‘politiediensten’ te verrichten. De duivelse letters ‘SS’ verzwijgt hij. Opbiechten zich voor de Germaanse SS te hebben aangemeld, betekende ‘zelf de strop te strikken voor mijn eigen hoofd’, aldus Aantjes in 1979. ‘Dat doe ik niet, was mijn gedachte toen, want daar is ook geen enkele reden toe’.
    Die reden was er natuurlijk wél: zijn maatschappelijke carričre. Die begint in september 1945 als Aantjes aan de Rijksuniversiteit Utrecht rechten gaat studeren. Hiertoe moet hij een verklaring
De duivelse letters ‘SS’ verzwijgt hij
tekenen. Punt 1 luidt dat aspirant-studenten geen lid mogen zijn geweest van ‘enige nationaal-socialistische, fascistische of landsverraderlijke organisatie of vereniging’. De Germaanse SS hoort zonder meer in die categorie thuis, maar Aantjes zet toch zijn handtekening onder de verklaring. Hij had zich weliswaar bij de Germaanse SS aangemeld, zo verdedigde hij in 1979 de ondertekening, maar tot een werkelijk lidmaatschap was het niet gekomen. Daarvan was pas sprake als de opleiding was afgerond.
    Handtekening en studie leiden in 1952 tot een baan op het secretariaat van de Nederlandse Christelijke Aannemers- en Bouwvakpatroonsbond. Maar de politiek lonkt. In 1955 doet Aantjes voor de ARP een gooi naar het Tweede-Kamerlidmaatschap, maar hij komt niet hoog genoeg op de kandidatenlijst. Vier jaar later lukt het wel. Op 26 mei 1959 wordt Willem Aantjes als kamerlid beëdigd. Dan beginnen ook geruchten te circuleren over een tijdens de bezettingsjaren begane misstap. Ze bereiken fractievoorzitter Bruins Slot die zijn kamerwerk combineert met het hoofdredacteurschap van het antirevolutionaire dagblad Trouw. Bruins Slot geeft een van zijn redacteuren de opdracht de geruchten na te gaan. De uitkomst luidt dat het ging om ‘kwajongensstreken op het gymnasium en het zich melden voor de Arbeidsinzet’. Meer niet, wat voor Bruins Slot reden is de zaak te laten rusten.
    In 1967, als Aantjes tijdens de kabinetsformatie gevraagd wordt minister van Volkshuisvesting te worden, steken de geruchten opnieuw de kop op. ARP-voorzitter Berghuis krijgt de informatie dat Aantjes lid was geweest van de Germaanse SS. Omdat hij had geweigerd tot de Waffen SS toe te treden, was hij in een Drents strafkamp terechtgekomen waar hij als administrateur had gewerkt. Berghuis confronteert Aantjes hiermee, zeggend: ‘Je moet heel sterk in je schoenen staan om nu minister worden’. Aantjes ontkent alles. Van het ministerschap ziet hij af, ‘om gezondheidsredenen’. Veel argwaan wekt dat niet – een aantal jaren eerder is hij zwaar overspannen geweest.
    Aantjes’ politieke carričre blijft voorspoedig verlopen. In 1972 volgt hij Barend Biesheuvel op als ARP-fractievoorzitter. Met zijn befaamde ‘Bergrede’, gehouden in 1975 op het eerste CDA-congres, plaatst Aantjes zich nog nadrukkelijker in de schijnwerpers. Hij houdt een vlammend pleidooi voor progressieve beginselpolitiek, een politiek die de hongerigen voedt, dorstigen laaft en naakten kleedt. Hiermee probeert Aantjes het CDA-in-wording op radicaal-evangelische leest te schoeien en het centrum-linkse kabinet-Den Uyl een steun in de rug te geven, maar noch het een noch het ander is het gevolg. Het CDA nestelt zich in het politieke midden, niet buigend naar links, niet naar rechts, om met politiek leider Van Agt te spreken. In maart 1977, drie maanden voor de verkiezingen, valt het kabinet-Den Uyl, om niet weer op te staan. De kabinetsformatie, een helletocht van meer dan een half jaar, brengt een centrum-rechtse coalitie van CDA en VVD achter de regeringstafel. De teleurstelling bij Aantjes is groot. Samen met zes andere bezwaarden in de CDA-fractie geeft hij te kennen het kabinet slechts te zullen ‘gedogen’.

Val
Ook tijdens de kabinetsformatie van 1977, als Aantjes weer voor een ministerspost in beeld komt, doen op het Binnenhof verhalen de ronde over ‘fout’ gedrag tijdens de bezettingsjaren. Kamervoorzitter Anne Vondeling trekt de stoute schoenen aan en vraag Aantjes op de man af of hij, op grond van gedragingen in de oorlog, chantabel is. Antwoord: ‘Ik word niet gechanteerd en ben ook niet te chanteren’. Aantjes verwijst Vondeling naar een interview dat de Haagse Post hem in 1975 heeft afgenomen. Daarin heeft hij zijn bezettingsjaren uit de doeken gedaan: Arbeidsinzet, postbode in Duitsland, naar Nederland teruggekeerd door zich voor ‘politiediensten’ aan te melden – punt uit. Voor Vondeling is daarmee de kous af.


Willem Aantjes, 1984
(Foto HDC)
    Maar niet voor de Haagse advocaat Henk Dolk, oud-schoolgenoot van Aantjes en getrouwd met de bekende altzangeres Aafje Heynis. Dolk is het al jaren een doorn in het oog dat Aantjes, ondanks de scheve schaats die hij in de oorlog heeft gereden, er niet voor terugschrikt in zijn politieke carričre het hoogste na te streven. Al in 1966 heeft Dolk
‘Ik word niet gechanteerd’
aan de bel getrokken. Hij laat ARP-voorzitter Berghuis weten dat Aantjes lid is geweest van de NSB. Berghuis benadert Aantjes, die in een brief aan Dolk het lidmaatschap ontkent. In de jaren die volgen ziet Dolk de politieke ster van Aantjes verder rijzen. Eind mei 1977, bij het begin van de formatiebesprekingen, stuurt hij Aantjes een telegram: ‘Wegens uw houding in de oorlogsjaren kunt en moogt u geen ministerschap aanvaarden. Ik behoud mij het recht voor de formateur van mijn opvatting te doen blijken’.
    Ruim een jaar later, eind oktober 1978, loopt Dolk RIOD-medewerker A.J. van der Leeuw tegen het lijf, een goede kennis. Het gesprek komt op de opsporing van oorlogsmisdadigers. ‘Jullie zoeken het altijd het zo ver weg’, zegt Dolk. ‘Blijf toch wat dichter bij huis’. Van der Leeuw begrijpt de opmerking niet, waarop Dolk de naam van diens oud-schoolgenoot Aantjes laat vallen. Wist Van der Leeuw dan niet dat Aantjes lid van de NSB was geweest? Van der Leeuw licht Loe de Jong, zijn chef, in. De Jong geeft een medewerker de opdracht het archief van de Deutsche Dienstpost te doorzoeken. Het resultaat is verbijsterend. Volgens de vergeelde papieren is Aantjes in oktober 1944 toegetreden tot de ‘Landstorm’, een onderdeel van de Waffen SS.
    Op 3 november 1978 hebben De Jong en Van der Leeuw, in het bijzijn van premier Van Agt en minister van Justitie De Ruiter, een gesprek met Aantjes. Hij wijst de bevindingen van De Jong van de hand. Hij heeft zich aangemeld voor de Germaanse SS, maar is niet werkelijk toegetreden. De Jong gelooft hem niet. ‘U liegt’, bijt hij Aantjes toe. Door loslippigheid van De Jongs vrouw is het RIOD-onderzoek ondertussen bekend geworden bij het Nieuwsblad van het Noorden. Een journalist van de krant belt de RIOD-directeur zondagavond 5 november. De Jong, die bevestigt dat hij onderzoek doet naar een vermeend SS-lidmaatschap van Aantjes, weet dat er nu geen dag meer te verliezen is.
    ‘Aantjes meldde zich in 1944 bij de SS’, luidt de sensationele opening van het Nieuwsblad van het Noorden de volgende dag. Dezelfde avond doet De Jong in een persconferentie verslag van zijn onderzoek, de vraag stellend of Aantjes nog wel Nederlands staatsburger is. De volgende dag, 7 november, maakt Aantjes zijn aftreden bekend. Tijdens de persconferentie benadrukt hij niet tot de Waffen SS te zijn toegetreden, maar zich slechts voor de Germaanse SS te hebben aangemeld. Het maakt weinig indruk. Het draait allemaal om die twee fatale, na vijfendertig jaar van zwijgen toch bekend geworden letters: SS.

Eerherstel?
Nader onderzoek heeft ruim een half jaar als verrassende uitkomst dat Aantjes’ lezing de juiste is. Een commissie van drie, die zich over de oorlogsjaren van de gevallen politicus heeft gebogen, concludeert dat Aantjes zich, met de bedoeling Duitsland te ontvluchten, bij de Germaanse SS had aangemeld. Omdat van Duitse krijgs- of staatsdienst geen sprake was geweest, had Aantjes het Nederlanderschap behouden. Aantjes’ naoorlogse jaren zijn door een bijzondere kamercommissie onder de loep genomen. Haar rapport luidt
De commissie laakt Loe de Jong
dat er voor chantage geen aanwijzingen zijn, voor een complottheorie evenmin. De commissie laakt Loe de Jong: zijn onderzoek vertoonde grote gebreken, zijn persconferentie niet minder. Wat na de publicatie van beide rapporten blijft staan, is dat Aantjes drie decennia lang misleidende verklaringen heeft afgelegd over zijn oorlogsverleden.
    Aantjes voelt zich in ere hersteld en laat zijn omgeving weten weer een publieke functie te ambiëren. Hij polst deze en gene over een lidmaatschap van de Raad van State. Ook het voorzitterschap van de Omroepraad lijkt hem een geschikte functie. Lauwe, ontwijkende reacties zijn echter zijn deel. Nieuwe hoop krijgt Aantjes in oktober 1979, als hij door een aantal kiesverenigingen kandidaat wordt gesteld voor de kamerverkiezingen van 1981. Maar de CDA-top probeert hem weg te kijken. Uit de achterban van de partij ontvangt Aantjes steunbetuigingen, maar er vallen thuis, op de Koningslaan in Utrecht, ook talloze scheldbrieven op de deurmat. ‘Als je de treurige moed hebt ooit nog een poot in de Tweede Kamer te zetten, kom ik je persoonlijk doodschieten’.
    In maart 1980 besluit het partijbestuur Aantjes niet op de advieslijst te zetten. De achterban slaat terug en zet Aantjes op een vijfendertigste plaats. Er volgen maanden van consternatie en discussie, totdat Aantjes uiteindelijk in maart 1981 de handdoek in de ring gooit en afziet van zijn kandidatuur. In de maanden die volgen informeert hij naar een functie bij de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening. Als sprake is van de oprichting van een staatscommissie die zich gaat buigen over de procedurele gang van de kabinetsformatie, klimt Aantjes opnieuw in de pen. Uiteindelijk wordt hij voorzitter van de Kampeerraad, een baantje van nog geen twintig uur per week, tegen een karig jaarsalaris van vijfentwintigduizend gulden. Aantjes ziet de functie (‘een dagelijkse vernedering’) als opstapje. Maar of hij nu belangstelling toont (bedelen is eigenlijk een beter woord) voor het voorzitterschap van de NOS of voor het lidmaatschap van het Europees Parlement – telkens krijgt hij nul op het rekest.
    Verbittering is het gevolg. Een uitzending van het VARA-programma Het Zwarte Schaap, in januari 2001, brengt Aantjes voor een groot tv-publiek min of meer eerherstel. In een reactie op het programma steekt ook Loe de Jong de hand in eigen boezem. Zijn persconferentie was ‘te ongenuanceerd’ geweest. ‘Daardoor ontstond het beeld van de veroordeling, zeker in talloze huiskamers’. Het weegt voor Aantjes slechts in bescheiden mate op tegen zijn onvrijwillige ballingschap van meer dan twintig jaar, waarin – tot overmaat van misčre – ook zijn huwelijk op de klippen is gelopen. Al die jaren heeft het kostuum dat hij droeg tijdens zijn persconferentie van 7 november 1978, onaangeroerd in de kast gehangen. ‘Dat pak trek ik aan op de dag dat ik terugkom in het parlement’, vertrouwt Aantjes zijn biograaf Roelof Bouwman in 1999 toe. ‘Iedere dag denk ik nog: zal ik het nog een keertje aandoen? Maar ja, dat is voorbij. Allemaal symboliek.’

> Roelof Bouwman, De val van een bergredenaar. Het politieke leven van Willem Aantjes (2002)
> archief W. Aantjes, Historisch Documentatiecentrum Vrije Universiteit
> Peter Bak, ‘Aantjes, Willem’, op:  Protestant.nu
Print: ‘Op twee lettertjes na. De val van Willem Aantjes’

Print: ‘Op twee lettertjes na. De val van Willem Aantjes’

© Bak schrijft !     |     Historicus, schrijver en redacteur Peter Bak