‘Bruins Slot, Nieuw-Guinea en de “ommezwaai”’
door Peter Bak
in: Transparant. Tijdschrift van de Vereniging van Christen-Historici
(XI-oktober 2000)

J.A.H.J.S. Bruins Slot
Nog nooit’, sprak de onthutste PvdA-fractieleider Jaap Burger op die derde oktober 1961, ‘heb ik als oppositieleider het kabinet zo’n stoot onder de gordel toegebracht.’ Burger reageerde op het appel waarmee zijn collega Bruins Slot, fractieleider van de antirevolutionairen, zich tot het liberaal-confessionele kabinet van De Quay had gericht. ‘Wij zitten in de verhouding Nederland-Indonesië zo muurvast’, zo had hij gesproken, ‘dat wij, zo wij er ooit uit willen komen, tot een gesprek op hoog niveau over alle dingen moeten geraken.’ Bruins Slot, de ‘gezag-is-gezag’-houwdegen van Nederlands bij de gratie Gods uitgeoefende soevereiniteit over Nieuw-Guinea, leek als Saulus op weg naar Damascus tot apostel van onderhandelingen met Soekarno te zijn bekeerd.

Handhaving van gezag
Voor een goed begrip van het ingrijpende en dramatische karakter van Bruins Slots ‘ommezwaai’ moeten we terug naar het jaar 1945, naar het Trouw-nummer van 1 oktober, naar Bruins Slots hoofdartikel ‘Ons gezag in Indië’. Reagerend op de binnensijpelende berichten over de door Soekarno uitgeroepen Republiek Indonesië, eiste Bruins Slot dat het wettige Nederlandse gezag onmiddellijk werd hersteld. Zich beroepend op Romeinen 13, op het paulinische schriftwoord dat ieder mens zich moest onderwerpen aan de overheden die boven hem stonden en dat er geen overheid was dan door God, verlangde Bruins Slot dat de regering korte metten maakte met Soekarno’s Republiek. Ten aanzien van gezagshandhaving en gezagserkenning kon volgens Bruins Slot niet gemarchandeerd worden: overheid was overheid en rebel was rebel.
    Maar Bruins Slot moest ontsteld toezien hoe de rooms-rode coalitie haar – zoals het hij noemde – ‘rechtstaak, waartoe God haar met de macht van het zwaard had uitgerust’, verzaakte en met de opstandige onderdanen ging onderhandelen. Dat resulteerde eind 1946 in het verdrag van Linggadjati, dat voorzag in de oprichting van de ‘Verenigde Staten van Indonesië’. De Republiek Indonesië, omvattende Java, Sumatra en Madoera, zou onderdeel worden van een federatieve staat, die met Nederland verbonden bleef door middel van een Unie, waarvan de koningin het hoofd zou worden.

Overdracht van Nieuw-Guinea
Nieuw-Guinea zou in de eerste opzet tot de deelstaat Oost-Indonesië gaan behoren, maar dit werd met de zogenaamde ‘aankleding’ van het Linggadjati-akkoord veranderd: daarin kreeg Nieuw-Guinea een aparte status, met als argument dat de Indische Nederlanders, die niet onder Indonesisch bewind wensten te leven, zoiets als een ‘thuisland’ moesten worden geboden.


‘Veel gezien, gehoord en geleerd – maar met ongewijzigd inzicht’. Bruins Slot (links) en de antirevolutionaire leider Jan Schouten keren op 24 juni 1947 terug uit Indië.
(Foto mevrouw M. Vellema-Bruins Slot Voorschoten)
Uiteindelijk werd tijdens de rondetafelconferentie van eind 1949 besloten het gebied van de soevereiniteitsoverdracht uit te zonderen; de partijen gaven zichzelf een jaar de tijd om een akkoord te bereiken over de definitieve status van het gebied. De verdragstekst was echter zó dubbelzinnig geformuleerd dat Nederland de betreffende passage kon uitleggen als dat het de soevereiniteit over Nieuw-Guinea behield, terwijl Indonesië stelde dat Nederland weliswaar het bestuur bleef uitoefenen, maar de soevereiniteit wel degelijk had overgedragen.
    Toen de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949 een feit werd, met de handtekening van koningin Juliana en de Republikeinse vice-president Mohammed Hatta, repte Bruins Slot in Trouw van een zwarte dag. Vier jaar van politiek gestuntel had geresulteerd in – schreef hij – ‘één grote deplorabele mislukking’. De Unie, de staatkundige band tussen Nederland en de Verenigde Staten van Indonesië, was volgens Bruins Slot een farce, het federatieve
‘Eén grote deplorabele mislukking’
fundament van de nieuwe staat weinig solide, om maar te zwijgen van het statuur van de Republiek Indonesië zelf, dat in niets van een behoorlijke rechtsstaat weghad. Indië ging naar de afgrond, zo voorspelde Bruins Slot, en ook daarom was het maar beter dat Nieuw-Guinea in Nederlandse handen bleef. Toen Soekarno enkele maanden later met de liquidatie van de deelstaten begon, bestond er voor Bruins Slot geen enkele twijfel meer wat er met Nieuw-Guinea moest gebeuren. ‘Wij kunnen Nieuw-Guinea behouden’, stelde hij in Trouw. ‘Dat is ons goed recht.’

Morele plicht
Dat ‘recht’ werd door weinigen betwist, niet in de eigen antirevolutionaire kring, maar ook daarbuiten niet. Gevoelens van wrok, gekrenkte trots en frustratie moesten worden verzacht. Indië was verloren, een trauma geboren. Nederland was de voet dwars gezet in zijn taak ‘iets groots te verrichten’, en het klampte zich nu vast aan wat nog van de gordel van smaragd restte: vierhonderdduizend vierkante kilometer woest en ontoegankelijk gebied met naar schatting zevenhonderdduizend Papoea’s, die voor het overgrote deel nog in het Stenen Tijdperk leefden. Hen ‘opvoeden’ tot zelfbeschikking, werd in de jaren vijftig verheven tot een morele taak en plicht, tot een absoluut principe; de wereld moest ervan worden overtuigd dat ‘wij’ de Papoea’s met de beste bedoelingen de twintigste eeuw aan het binnen leiden waren.
    Hoe onomstotelijk Nederlands morele én schriftuurlijke ‘recht’ op Nieuw-Guinea voor Bruins Slot klaarblijkelijk was, bleek eind 1958 toen hij weigerde in te gaan op de oproep tot een ‘open discussie’ door de zendingspredikant ds. J. Verkuyl. Ten aanzien van Nieuw-Guinea vórmde hij met Trouw geen mening, zo stelde Bruins Slot, nee, hij vertólkte wat onder het antirevolutionaire volk leefde, en daarom stond zijn standpunt ‘niet ter discussie’.
    Achter dit apodictische antwoord gingen echter wel degelijk de nodige twijfels schuil. Toen Bruins Slot begin 1958 in een bestuursvergadering van de Christelijk-Nationale Persvereniging, enig aandeelhouder en toezichthoudend orgaan van Trouw, werd gemaand in de Nieuw-Guinea-kwestie een nóg hardere toon aan te slaan, hield hij de boot af. In de besloten kring van de vergadering noemde hij de kwestie een ‘buitengewoon moeilijke en delicate zaak’, niet het minst met het oog op het in het gedrang komende zendingswerk.
    Dat was heel ándere taal. Bruins Slot zei te schrijven wat de antirevolutionairen dachten, maar op grond van zijn uitlating in de Christelijk-Nationale Persvereniging mag betwijfeld worden of hij zelf nog wel geloofde wat hij in Trouw schreef. Was hij in plaats van een vertolker niet veeleer een
‘Niet ter discussie’
gevangene van het in Romeinen 13 wortelende gezagsdenken? Volgens Ben van Kaam, vertrouweling van Bruins Slot op de Trouw-redactie, werd zijn baas ‘kriegelig’ als er naar diens Nieuw-Guinea-standpunt gevraagd werd – ‘kriegeligheid’ die voortkwam uit onzekerheid. Bruins Slot was niet meer ten volle overtuigd van de traditionele Romeinen-13-visie, maar had geen alternatief, of durfde dat nog niet te ventileren, zodat hij zich, met een beroep op de communis opinio van het antirevolutionaire volk, maar liever verre van een discussie hield.

Overstag
Maar het werd hoe langer hoe moeilijker zich achter de muren van Romeinen 13 te blijven verschuilen. Het bedrijfsleven begon zich te roeren. In april 1958 had Soekarno namelijk alle Nederlandse bedrijven onder staatstoezicht geplaatst, later dat jaar zelfs genationaliseerd, en vijftigduizend in Indonesië werkzame Nederlanders het land uitgezet. Voorts wijzigde de Australische regering haar standpunt. Doorgaans had zij achter Nederland gestaan, uit vrees dat westelijk Nieuw-Guinea in Soekarno’s handen een springplank voor het communisme zou worden, maar het steeds luider klinkende sabelgerinkel van Nederland en Indonesië deed Canberra begin 1959 sonderen dat het zich niet langer tegen soevereiniteitsoverdracht verzette.


Bruins Slot (links) en Verkuyl in 1968 op de receptie ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van Trouw. ‘Vijanden’ waren vrienden geworden.
(Foto mevrouw M. Vellema-Bruins Slot Voorschoten)

    Toen ARP-voorzitter Berghuis dit twee jaar later tijdens een bezoek aan Nieuw-Guinea zwart op wit kreeg, uit de mond van de Australische minister van Koloniën en de Australische gouverneur van oostelijk Nieuw-Guinea, stond voor hem vast dat onderhandelingen met Indonesië onontkoombaar waren; er moest een ‘open gesprek’ komen, waarbij de mogelijkheid dat Nieuw-Guinea op termijn aan Indonesië werd overgedragen, niet mocht worden uitgesloten.
    Dat zette Berghuis op 16 september 1961, dezelfde dag dat Bruins Slot in Trouw voor toenadering tot Indonesië pleitte, in het ARP-orgaan Nederlandse Gedachten uiteen. Tot die gecoördineerde actie was tien dagen eerder besloten in een vergadering van het ARP-moderamen, het dagelijks bestuur van de partij. Toen was ook duidelijk aan het worden dat Nederland, anders dan minister van Buitenlandse Zaken Luns volhield, niet op steun van de Verenigde Staten kon rekenen. ‘Luns kletst’, zo luidde de boodschap waarmee de op fact-finding-mission naar Washington gestuurde Biesheuvel thuiskwam. Het deed Bruins Slot moedeloos verzuchten dat
‘Luns kletst’
Nederlands doelstelling de Papoea’s rijp te maken voor zelfbeschikkingsrecht volkomen in de lucht was komen te hangen. ‘Wij kunnen’, aldus de notulen van de moderamenvergadering van 6 september 1961, ‘deze politiek niet waar maken. Niemand is gehouden het onmogelijke te doen. Is het zo gezien dan niet verstandiger om met Indonesië te praten?’ Die vraag werd tien dagen later, in Trouw van 16 september, tot een oproep, die Bruins Slot op 3 oktober in een muisstille Tweede Kamer herhaalde.

Gevolgen
Het vervolg was allesbehalve muisstil. Vriend en vijand reageerden verrast; ‘vijanden’ werden vrienden (Verkuyl), maar vrienden werden vijanden: in de eigen antirevolutionaire kring werd van ‘verraad’ aan de Papoea’s gerept. Als verpersoonlijking van het ‘gezag-is-gezag’-denken werd Bruins Slot het zwaarst op de ‘ommezwaai’ afgerekend: als hoofdredacteur van Trouw zag hij drieduizend abonnees weglopen, terwijl hij op de kandidatenlijst voor de Tweede-Kamerverkiezingen van 1963 naar de elfde plaats duikelde. Hij werd afgestraft omdat hij was omgezwaaid én – niet minder – omdat hij er bijna niemand op had voorbereid. Met Trouw had Bruins Slot een machtig instrument in handen om de antirevolutionaire opinie te beïnvloeden en te sturen, maar hij liet het bij een handvol artikelen die zich alleen door de zeer goede verstaander als vingerwijzing naar zijn ‘ommezwaai’ liet lezen.
    Aan zijn bekering tot een – wat hij noemde – ‘werkelijk christelijke politiek’, de aan zijn ‘ommezwaai’ ten grondslag liggende ‘bekering’ tot een politiek die gestalte gaf aan ‘de eis van gerechtigheid in de concrete situatie van alledag’, zou Bruins Slot pas na 1962 wezenlijke inhoud gaan geven, in zijn boekje Kleine partij in grote wereld en in zijn Trouw-commentaren. Als hoofdredacteur en politicus faalde hij, omdat hij volkomen voorbijging aan het gegeven dat politieke communicatie staat of valt met een in het verleden gegroeide, wederkerige relatie met de achterban. Want wie de lezer of de kiezer wil veranderen, loopt het gevaar dat zij van krant respectievelijk partij veranderen.

> Peter Bak, ‘Bruins Slot, Jan Albertus Hendrik Johan Sieuwert’, op:  Protestant.nu
> archief J.A.H.J.S. Bruins Slot, Historisch Documentatiecentrum Vrije Universiteit
Print: ‘Bruins Slot, Nieuw-Guinea en de “ommezwaai”’

‘Bruins Slot, Nieuw-Guinea en de “ommezwaai”’

© Bak schrijft !     |     Historicus, schrijver en redacteur Peter Bak