berichten uit de SD-Polizeigefängnis
in Haaren te smokkelen.
Aanbod
‘Freek is ontsnapt’, vermeldt het verslag van een op 4 juli 1944 gehouden vergadering van Groningse verspreiders. Spoedig werd duidelijk dat Eik Speelman niet was ontsnapt, maar was vrijgelaten. In 1946 verklaarde hij dat Gottschalk op een dag in juni in zijn cel was gekomen en hem had verteld dat de
Trouw-zaak binnenkort voor het
Standgericht zou komen; Gottschalk verwachtte dat ten minste twintig gevangenen de doodstraf zouden krijgen. Hij deed Speelman een voorstel: hij zou hem vrijlaten om aan zijn achterneef Wim Speelman het aanbod over te brengen, dat het proces niet zou doorgaan indien de uitgave van
Trouw zou worden gestaakt. Speelman stemde toe en kwam op vrije voeten. Hij slaagde er echter niet in zijn achterneef te vinden en bracht het aanbod uiteindelijk over aan de Drentse verspreider Gerrit Morsink, een van de grondleggers van
Trouw.
Zesenveertig jaar later, in 1992, had Speelman een ander relaas. Gottschalk stelde voor dat als
Trouw niet meer zou verschijnen alle gevangenen zouden worden vrijgelaten, op twee na, die als onderpand in handen van de SD zouden blijven. Speelman was bereid een van die gijzelaars te zijn. Van Ruller stond in 1948 ook een dergelijk compromis voor de geest: ‘Het was hem [Gottschalk] voldoende als twee van de leidende figuren, één uit de redactie en één uit de verspreiding, in zijn handen waren.’ Met dat voorstel ging Speelman, aldus zijn relaas uit 1992, naar zijn zuster in Gouda, die hij vroeg hem met zijn neef Arie Speelman in contact te brengen. Arie kwam naar Gouda, werd door Eik van Gottschalks aanbod op de hoogte gesteld en ging op pad om het aan Wim Speelman over te brengen. Volgens afspraak had Eik Speelman ‘veertien dagen’ na zijn vrijlating een onderhoud met Gottschalk op het station Driebergen/Zeist. Speelman kon hem slechts meedelen dat
Trouw nog niet had gereageerd. Hij zou contact opnemen zo gauw hij meer wist.
De afspraak op het station Driebergen/Zeist wordt bevestigd door een ‘Exposé van Eik’s verklaringen’, dat zich in het archief-
Trouw bevindt. Het is een verslag van een onderhoud dat Jan Veldkamp en Bas van Duin, respectievelijk provinciaal verspreider in Overijssel en Zuid-Holland, met Eik Speelman hebben gehad, vermoedelijk eind juli, begin augustus 1944. Het was een buitengewoon heftig onderhoud, blijkt uit het stuk. Veldkamp en Van Duin beschuldigden Speelman van verraad en verboden hem verdere contacten met Gottschalk.
Wat Gottschalks aanbod betreft, verschaft het ‘Exposé’ in zoverre duidelijkheid, dat het de datum van de afspraak op het station Driebergen/Zeist noemt: ‘Donderdag 21/7/44’. Ondanks dat 21 juli niet op een donderdag maar op een vrijdag viel, lijkt die datum plausibel. Het bovenvermelde vergaderingsverslag van de Groningse verspreidersgroep, waarin de ‘ontsnapping’ van Speelman wordt vermeld, is van 4 juli. Speelman dacht later dat tussen zijn vrijlating en de afspraak op het station Driebergen/Zeist een periode van ‘veertien dagen’ had gezeten, wat de datering van die afspraak op of rond de eenentwintigste juli aannemelijk maakt.
Het ‘Exposé’ bevestigt ook dat er tussen Eik Speelman en zijn neef Arie contact is geweest, tamelijk intensief zelfs. ‘Eik is vorige week in Veenendaal geweest, daar heeft hij Arie iederen dag gesproken’, aldus de eerste zin van het verslag. Arie Speelman had in Veenendaal een onderduikadres. Vervolgens stelt het verslag: ‘Arie heeft zich het gehele week-end in Bleiswijk opgehouden en is Maandagmiddag weggegaan.’ Bleiswijk was een contact- en vergaderadres van
Trouw – is daar beraadslaagd over het Duitse voorstel? Is er sowieso beraadslaagd over het voorstel? Het zal met grote scepsis zijn ontvangen, niet in het minst door wat in de briefjes uit Haaren over de brenger van de boodschap was geschreven. Arie Speelman, die hemel en aarde heeft bewogen om het aanbod te aanvaarden, werd voortaan met argusogen bekeken.
Ultimatum
‘Ongeveer 28 Juli’ werden de
Trouw-gevangenen van Haaren naar het concentratiekamp Vught overgebracht. Dat herinnerde de Vlaardingse drukker Adriaan Noordermeer, de enige gevangene die de oorlog overleefde, zich in december 1945. ‘Ongeveer 28 Juli’ – zeg een week nadat Gottschalk van Speelman had gehoord dat
Trouw (nog) niet had gereageerd. ‘Enkele dagen’ na hun overbrenging naar Vught, aldus Noordermeer, knoopte Gottschalk een gesprek aan met Willem Santema. De zaak zag er niet best uit, vertelde hij Santema. Er was geprobeerd met de leiding van
Trouw tot onderhandelingen te komen, maar een reactie was uitgebleven. Het was nu wel zo goed als zeker dat de zaak binnenkort voor het
Polizeistandgericht kwam. Santema bracht dit in de barak aan de andere gevangenen over. Ze waren volgens Noordermeer unaniem van mening dat
Trouw juist had gehandeld door niet met de SD in onderhandeling te treden.
Ook de Friese verspreider Willem Santema werd in december 1943 op het
Trouw-hoofdkwartier aan de Ruysdaelstaat gearresteerd.
Buiten Vught werd daar in ieder geval anders over gedacht – en niet alleen door Eik en Arie Speelman. Dit blijkt uit een rapport dat de verloofde van Frits Vogel in november 1945 opstelde in het kader van het justitiële onderzoek tegen Gottschalk. Zij schreef dat de families van Roel van Baarle en Frits Vogel, in samenwerking met de familie Speelman, pogingen hadden ondernomen een proces te vermijden. Daartoe was de Rotterdamse advocaat mr. P.G. Groenenboom in de arm genomen. De Jong schrijft in het achtste deel van zijn
Koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, dat Groenenboom deel uit maakte van de ‘commissie van contact’, die in 1943 was ingesteld door de gezamenlijke Dekens der Orde van Advocaten. De commissie wilde toezien op een correcte rechtsgang, waarbij ze zich met name teweerstelde tegen de praktijk dat, zolang arrestanten in handen waren van de SD, geen advocaten werden toegelaten. Vooral Groeneboom liet zich op dat punt gelden. Hij werd niet moe zich bij de SD te melden om tot een cliënt te worden toegelaten. Volgens De Jong werd hij ‘talloze malen op hardhandige wijze uit het gebouw der
Sicherheitspolizei,
Aussenstelle Rotterdam, verwijderd’.
Op 3 augustus 1944 richtte Groenenboom zich per brief tot twee Amsterdamse confrères, die contacten onderhielden met de
Trouw-groep: mr. J.H. de Pont en mr. A.C.G. van Proosdij. Groenenboom liet weten dat het overleg met de SD over
Trouw was ‘hervat’. Het proces zou eigenlijk de volgende dag plaatsvinden, maar was voorlopig uitgesteld. ‘Indien’, schreef Groenenboom zijn confrères, ‘Woensdag a.s. des namiddags om 5 uur in het bezit van den Sachbearbeiter te ’s-Hertogenbosch een verklaring is, ondertekend door W. SPEELMAN en behelzende, dat "Trouw" haar activiteit zal staken, worden de gedetineerden niet verder vervolgd, doch worden zij in Schutzhaft gehouden tot het einde van den oorlog.’
Op 8 augustus, een dag voor het aflopen van het ultimatum, deed Groenenboom opnieuw bericht, nu ook aan de Haagse advocaten mr. J.M. Barents en mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, die blijkbaar ook met de zaak te maken hadden. Groenenboom had die morgen een bespreking met Gottschalk gehad en deze had hem weten te vertellen dat de
Trouw-gevangenen zaterdag 5 augustus voor het
Polizeistandgericht waren geleid. Vonnissen waren er volgens Gottschalk ‘vermoedelijk’ niet geveld. Hij dacht dat een deel van de gevangenen naar Utrecht was overgebracht om voor een militaire rechtbank te verschijnen. Meer wist hij niet, want SD-
Befehlshaber Schöngardt had de
Trouw-zaak van hem overgenomen.
De werkelijkheid was dat op die zaterdag 5 augustus over vierentwintig van de negenendertig
Trouw-gevangenen een doodvonnis was uitgesproken. De ter dood veroordeelden waren allen verspreiders. De vijftien drukkers hadden volgens het
Standgericht in een zakelijke relatie tot
Trouw gestaan en konden daarom niet als leden van de verspreidersorganisatie worden aangemerkt. Hun zaak werd naar het
Obergericht doorverwezen – kennelijk doelde Gottschalk hierop toen hij Groenenboom zei dat een deel van de gevangenen voor een militaire rechtbank moest verschijnen.
Vergadering
Op diezelfde dinsdag 8 augustus, waarop Groenenboom zijn vier confrères op de hoogte bracht van zijn bevindingen bij Gottschalk, werd voor de volgende dag in allerijl een vergadering van de
Trouw-top bijeengeroepen. Dat het laatste het gevolg was van het eerste is echter onwaarschijnlijk. Groenenbooms bericht zal de scepsis over de betrouwbaarheid van het SD-aanbod alleen maar groter hebben gemaakt. De gevangenen waren immers al voor het
Standgericht geweest, terwijl het ultimatum op woensdag 9 augustus om vijf uur zou aflopen. Bewees dat niet eens te meer, dat de Duitsers niet te vertrouwen waren!?
Toch werd op stel en sprong voor de volgende dag, woensdag 9 augustus, een vergadering belegd over wat ‘het ultimatum’ is gaan heten. Dàt wisten de aanwezigen, bij alle onduidelijkheid over plaats en aanvangstijdstip, naderhand zeker, óók dat Wim Speelman die dag in het bezit was gekomen van wat in de geschiedenis van
Trouw bekend staat als ‘het briefje’:
Ich der Unterzeichneten WILLEM SPEELMAN
erklaere hierdurch, dass es mein ausdrück-
licher Wunsch ist, dass "TROUW" nicht
weiter erscheint. Die sofortige Einstellung
des Verlags von "Trouw" habe ich deshalb
nunmehr veranlasst und ich bin davon ueber-
zeugt, dass keiner der Hauptmitarbeiter von
"Trouw" dieser meiner Veranlassung entgegen
handeln wird.
Am August 1944.
Wim Speelman, de leider van het
verspreidingsapparaat van Trouw.
Het briefje wordt in een schrijven van de Friese verspreider Jan van der Meer aan Wim Speelman, een aantal weken na de vergadering, ‘het bewuste briefje van Heida’ genoemd. Mr. E.H.J. Heida was een Rotterdamse advocaat die volgens Van Ruller ook bij de
Trouw-zaak was betrokken. Buiten dat het briefje blijkbaar via Heida bij Wim Speelman is bezorgd, is onbekend in hoeverre en namens wie hij zich met de zaak heeft bemoeid. Over het briefje schreef Van der Meer nóg iets: dat het woensdag 9 augustus om vijf uur ’s middags bij de SD moest zijn. Het ultimatum lijkt dus toch nog van kracht te zijn geweest, maar dat zal op Wim Speelman weinig indruk gemaakt hebben. Het briefje zal evenmin reden geweest zijn om de kopstukken van
Trouw bijeen te roepen – wat bood het aan nieuwe, zwaarwegende feiten?
Voor de vergadering lijkt maar één reden denkbaar: op die dinsdag 8 augustus vernam
Trouw, wellicht gelijk met Heida’s briefje, dat het
Standgericht vierentwintig gevangenen ter dood had veroordeeld. Getuigenissen van aanwezigen lijken in die richting te wijzen. Volgens Smallenbroek zou doorgaan met
Trouw betekenen, dat de gevangenen werden ‘doodgeschoten’. Van Ruller had dezelfde herinnering en voegde eraan toe: ‘Ze waren dunkt mij al voor die krijgsraad geweest, ze waren dus al ter dood veroordeeld.’ Mien Bouwman wist naderhand niet zeker of ze tijdens de vergadering van het proces op de hoogte was – ‘het kan best zijn’. In 1946 verklaarde Morsink, toen hij getuigde in het onderzoek tegen Gottschalk, dat als de uitgave van
Trouw niet werd gestaakt ‘de 24 ter dood veroordeelden’ zouden worden gefusilleerd. Zeker, het retrospectieve karakter van deze herinneringen moet goed in het oog worden gehouden, maar is het toch niet opvallend dat niet één spreekt van een nog te voeren proces als dreiging boven de vergadering!?
Vier-en-twintig – er werd rekening mee gehouden dat het bij een proces voor leidende figuren als Wiet Dijkman, Willem Santema en Jan van der Laan slecht kon aflopen, maar zoveel doodvonnissen... En er was de druk van families van gevangenen, al vanaf het moment dat Eik Speelman uit Haaren was vrijgelaten: misschien was Nederland over een maand wel bevrijd; om hoeveel
Trouw-nummers ging het nog? een? twee? was dat nog wel offers waard?
Tot dan toe had
Trouw die druk weerstaan, hoe moeilijk dat ook was. Wim Speelmans zusje Bep was verloofd met Wiet Dijkman – via haar heeft de familie van Dijkman gesmeekt het Duitse aanbod te aanvaarden. Op 8 augustus lagen er vierentwintig doodvonnissen. En een briefje waarmee Wim Speelman hun levens zou kunnen redden. Het aanbod waarmee Eik Speelman uit Haaren was gekomen en dat op 3 augustus extra kracht was bijgezet door een ultimatum, is door Wim Speelman niet in bredere kring besproken – de scepsis was te groot om het doorgaan van de principiële getuigenis van
Trouw ter discussie te stellen. Maar nu moest Speelman voor de volgende dag, vijf uur ’s middags, beslissen over leven of dood van vierentwintig medestrijders. Ze waren bij
Trouw niet met name bekend – daarover straks meer – maar het aantal van vierentwintig betekende dat ook onderverspreiders, die in vergelijking tot mannen als Dijkman, Santema en Van der Laan veel minder op hun kerfstok hadden, de doodstraf moesten hebben gekregen.
>
Jan Smallenbroek was verbindingsman
tussen de redactie van Trouw
en het verspreidingsapparaat.
Wat weten we over het verloop van de vergadering? Smallenbroek vertelde in 1968 dat Bruins Slot en hijzelf kort tevoren advies hadden gevraagd bij dr. A.A.L. Rutgers, gezaghebbend figuur in de ondergrondse ARP en oom van Bruins Slots vrouw. Rutgers meende dat
Trouw niet mocht zwichten. ’Wij zijn in oorlog, wij voeren strijd, die strijd is in de eerste plaats een geestelijke strijd, en in een strijd vallen slachtoffers’, herinnerde Smallenbroek diens woorden. ‘Wanneer je die strijd opgeeft, dan capituleer je. En je mag niet capituleren, dus daarom zetten we door.’
Op de vergadering bracht de redactie dit standpunt echter niet naar voren. Bij monde van Bruins Slot stelde ze zich op het standpunt dat de verspreiders moesten beslissen – het ging om hun kameraden. ‘Als jullie zeggen: wij stoppen, dan leggen wij ons daarbij neer’, gaf Mien Bouwman de woorden van Bruins Slot later weer. Volgens Gesina van der Molen wekte dat standpunt de nodige wrevel bij de verspreiders. ‘De jongens, vooral Wim, zeiden niet te kunnen begrijpen, waarom de redactie aarzelde’, herinnerde ze zich later.
Volgens Sandor Baraçs, die de frontoverzichten in
Trouw verzorgde, zou Van der Molen zelf de grootste aarzelingen hebben gehad. In 1968 stond Baraçs nog helder voor de geest de morgen na de vergadering met haar te hebben gesproken. Ze vertelde als enige voor het tekenen van het stuk te hebben gepleit, waarop Wim Speelman had gezegd: ‘Indien de redactie stopt, begin ik een nieuwe Trouw’. Toen bleek dat de anderen evenmin wilden buigen, had ze zich met tranen in de ogen neergelegd bij het besluit niet te tekenen.
Ook uit het relaas van Van Ruller over de vergadering komt naar voren dat het besluit niet zonder slag of stoot tot stand kwam. ‘Er waren er die zeiden: "Het gaat maar om één nummer, we zijn bijna bevrijd." Anderen zeiden: "Aan deze vijand mag geen enkele concessie worden gedaan; dan laat je je volk in de steek".’ Ook volgens Van Ruller gaf het woord van Wim Speelman de doorslag: ‘Ik teken nooit een verklaring dat we stoppen’.
Henk Sol en Jaap de Graaf wisten later nog goed dat ze tijdens de vergadering vooral op Mies Bruijnen hadden gelet. Zij was verloofd met een van de gevangen verspreiders, Jan Penning. Hoewel Penning pas eind juni 1944 was gearresteerd, moest toch aangenomen worden dat ook hij tot de groep veroordeelden behoorde. Mies Bruijnen ging daar in ieder geval wel van uit. Toch vond ook zij dat
Trouw niet mocht stoppen. Het staat Mien Bouwman scherp in het geheugen gegrift dat ze na afloop van de vergadering tegen haar zei: ‘Ik heb toch zo’n hoop dat Jan er niet bij zit’. Waarop Mies zei: ‘Ja, dat kun je wel zeggen, maar ik hem me er op ingesteld dat hij er wel bij zit en zo vond ik dat ik beslissen moest.’ Hieruit blijkt dat de namen van de ter dood veroordeelden niet bekend waren, tenminste niet bij de vergadering. Bekend is echter dat door enkele families van de veroordeelden gratie is gevraagd – niet alle namen waren dus onbekend.
Trouw-redactrice Gesina van der Molen zou er voor
gepleit
hebben het Duitse aanbod te accepteren.
Circulaire
Na afloop van de vergadering werd een circulaire opgesteld, getiteld ‘Is doorgaan verantwoord?’, waarin de genomen beslissing voor het verspreidingsapparaat werd verantwoord – dat is tot dusverre tenminste aangenomen. ‘Wanneer wij zouden gaan zwijgen, dat wil dus zeggen: zouden capituleeren, zouden de Duitschers een enorme overwinning aan het geestelijk front hebben behaald’, aldus het stuk. ‘Wij strijden voor het behoud van een Nederland waarin Chr. beginselen leven. Eerste eisch is dan, dat wij van die Chr. beginselen en wat zij ons vorderen blijven getuigen. Wie tegen de capitulatie der gewetens strijdt, mag zelf nooit geestelijk capituleeren.’ Bruins Slot zou de circulaire geschreven hebben.
Het is echter maar zeer de vraag of het stuk na afloop van de vergadering van 9 augustus is geschreven. De eerste alinea stelt:
In onze kring is onder oogen gezien de vraag of het wenschelijk en geoorloofd is, om door overeenkomst met S.D. de uitgave van ons blad te staken, waartegenover dan zou staan, dat degenen, die wegens ons blad verband houdende activiteit gevangen genomen zijn, niet zouden worden berecht, doch in Duitse bewaring zouden blijven. (cursivering van mij – pb)
In de vierde alinea lezen we:
Wij komen dan principieel voor de vraag te staan, wat het belangrijkste is. Het voortbestaan van ons blad of het persoonlijk welzijn van onze gevangenen. Waar het bij dit laatste om gaat, is ons bekend. Wij moeten rekenen met de mogelijkheid, dat het, althans wat een deel der gevangenen betreft, om hun leven gaat. (cursivering van mij – pb)
Is de circulaire het bewijs dat de vergadering dus
niet van het aantal doodvonnissen op de hoogte was?
Integendeel – de gecursiveerde passages lijken juist uit te sluiten dat
de tekst op die bewuste woensdag 9 augustus is geschreven. Aan het einde van de middag, enkele uren na afloop van de vergadering, las men in de avondbladen de namen van de vierentwintig die op 5 augustus ter dood waren veroordeeld. ‘Vooraanstaande actief deelnemende leden van een organisatie tot het verspreiden van ophitsende geschriften’, werden ze in de bekendmaking van de
Höhere SS- und Polizeiführer genoemd. Het vonnis was aan drieëntwintig van de veroordeelden voltrokken; één was begenadigd tot vijftien jaar tuchthuisstraf. Jaap de Graaf las het bericht toen hij na afloop van de vergadering bij boekhandel Van Heeteren op het Rokin binnenliep. Mien Bouwman wandelde met haar ouders over het Hekelveld en zag het in de vitrines van de Arbeiderspers. De schok was enorm. Want wanneer was het vonnis dan voltrokken? Vanmorgen? Gisteren? Waren de drieëntwintig al geëxecuteerd voordat het ultimatum was afgelopen? Was het allemaal ‘Spielerei’ van de SD geweest?
Gesteld dat de vergadering niet op de hoogte was van de vierentwintig doodvonnissen, dan is het in theorie mogelijk dat de circulaire in het tijdsbestek tussen het einde van de vergadering en het bekend worden van het krantenbericht is geschreven. Onmogelijk lijkt het echter dat de tekst in die paar uur ook is gestencild en verspreid. De circulaire moet daarom eerder zijn geschreven, mogelijk na ontvangst van het op 3 augustus door Groenenboom doorgegeven ultimatum. En daarmee lijkt de bekendmaking in de avondbladen de veronderstelling te bevestigen dat de vergadering op de hoogte was van het aantal doodvonnissen.
Het krantenbericht roept echter meteen een nieuwe vraag op, want op het moment van publicatie waren de drieëntwintig ter dood veroordeelden nog in leven. Volgens de ‘Sterbe-urkundes’, die in Vught werden opgemaakt, zijn er zes op de avond van negen augustus terechtgesteld, de andere zeventien de volgende avond. De vraag waarom de bekendmaking van de voltrekking van de doodvonnissen voortijdig is gepubliceerd, is nog een van de vele vragen die op een antwoord wachten.